Rookmelders en brandveiligheid: waar let de toezichthouder op bij inspectie?
Sinds 1 januari 2026 geldt de aparte eis dat gastouderopvang moet beschikken over voldoende en goed werkende rookmelders niet meer. Deze eis is vervallen omdat er al een algemene wettelijke verplichting bestaat voor alle woningen: in het Besluit bouwwerken leefomgeving staat dat elke woning rookmelders moet hebben, ongeacht het bouwjaar. Deze verplichting geldt voor de woningeigenaar, en het toezicht hierop ligt bij de gemeente (meestal Bouw- en Woningtoezicht) — niet bij de GGD-toezichthouder kinderopvang. Dat betekent niet dat brandveiligheid geen rol meer speelt bij een inspectie. De toezichthouder beoordeelt brandveiligheid nu binnen het bredere domein Veiligheid en gezondheid, in plaats van als losse checklist-eis.
Wat controleert de toezichthouder concreet?
Tijdens de inspectie kijkt de toezichthouder of:
- de gastouder het risico-inventarisatiedocument volgt;
- de gastouder de afgesproken maatregelen uit het plan van aanpak daadwerkelijk neemt en volhoudt.
Risico’s op verbranding en (rook)vergiftiging maken hier onderdeel van uit. Vroegtijdige alarmering bij rook of brand blijft belangrijk om deze risico’s te beperken — rookmelders kunnen daarom nog steeds als maatregel in het plan van aanpak staan, alleen wordt hun aanwezigheid niet meer los getoetst. Of het risico-inventarisatiedocument en plan van aanpak goed zijn toegespitst op het specifieke opvangadres, is een verantwoordelijkheid van de houder van het gastouderbureau.
In gesprek met de gastouder
De toezichthouder kan tijdens het gesprek met de gastouder onder andere ingaan op:
- welke risico’s op verbranding en (rook)vergiftiging zijn geïnventariseerd, en welke maatregelen daarbij horen;
- hoe het gastouderbureau de gastouder heeft geïnformeerd en begeleid bij het herkennen en beperken van deze risico’s, inclusief het gebruik en de plaatsing van rookmelders;
- of er een vluchtplan is en of dit in de praktijk werkt.
Kortom: rookmelders zijn niet verdwenen uit het toezicht, maar ze worden nu beoordeeld als onderdeel van de risico-inventarisatie en het plan van aanpak, in plaats van als losse voorwaarde.
Bronnen: Besluit Kwaliteit kinderopvang art. 21 lid 2, lid 3 onder a, lid 5; Regeling Wet kinderopvang art. 10d lid 1 onder a.